Nieuwsbrief Adviesraden

Ξ Gastcolumn

Koos Richelle, voorzitter Adviescommissie voor Vreemdelingenzaken

Valt er nog wat te adviseren?

In zijn jaarverslag 2018 stelde de vicepresident van de Raad van State, Thom de Graaf, dat de laatste jaren de wet vaak zuiver ‘instrumenteel’ wordt gebruikt om politieke en maatschappelijke akkoorden te vertalen of van een legitimatie te voorzien. Hoewel er volgens De Graaf vanuit de Raad van State begrip is voor de wens van de overheid om in een complexe samenleving flexibel te kunnen optreden en door maatwerk het recht dicht bij de praktijk te brengen, waarschuwt hij dat het wetgevingsproces niet mag verworden tot een ‘stempelmachine’.

De Adviescommissie voor Vreemdelingenzaken (ACVZ) zag zich het laatste jaar geconfronteerd met twee incidenten die een vergelijkbaar dilemma opleveren. Artikel 2 van de Vreemdelingenwet bepaalt dat de ACVZ adviseert ‘over de Vreemdelingenwet en het beleid ter zake’. Volgens een standaardhandelwijze werd de ACVZ door het departement geraadpleegd in een pril stadium van regelgeving. Het laatste jaar is zij evenwel tot tweemaal toe gepasseerd in het proces van regelgeving. In beide gevallen ging het om de juridische vertaling van politieke compromissen op het politiek zeer brisante terrein van de migratie.  In het eerste geval heeft de adviescommissie afgezien van het geven van een reactie achteraf: weliswaar kon worden getwijfeld aan de effectiviteit van de genomen maatregel (verlenging van de rehabilitatietermijn bij naturalisatie van vier naar vijf jaar), maar het was duidelijk dat hier een politiek signaal werd afgegeven. In het tweede geval, het overal breed uitgemeten ‘afschaffen van de discretionaire bevoegdheid’ van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, spelen evenwel naast politieke ook juridische elementen een belangrijke rol. Daarom heeft de ACVZ na ampel beraad toch besloten om ongevraagd en achteraf te adviseren (Afschaffing van de algemene discretionaire bevoegdheid, 2 juli 2019).

Uiteraard is de adviescommissie doordrongen van de politieke realiteit dat de afschaffing van de algemene discretionaire bevoegdheid onderdeel uitmaakte van een deal waarin een politiek aanvaardbare oplossing werd gezocht voor het kinderpardon. Maar aan de thans gegeven uitwerking, beperking van het gebruik van de discretionaire bevoegdheid tot de eerste aanvraag en de toepassing ervan toe te vertrouwen aan het hoofd IND, zitten allerlei haken en ogen. Deze zijn in het ACVZ-advies uitgewerkt. Hier volsta ik ermee om er één uit te lichten. Als een afgewezen asielzoeker het land niet verlaat, kunnen de omstandigheden (in het land van herkomst of met betrekking tot de persoon van de asielzoeker) na verloop van tijd zo gewijzigd zijn dat een nieuwe aanvraag wordt ingediend. In dat geval zal er weer een nieuwe volledige afweging moeten plaatsvinden, waarbij, volgens internationaal-rechtelijke normen, ook weer individueel schrijnende omstandigheden in aanmerking zullen moeten worden genomen om een rechterlijke toets te kunnen doorstaan.

De ACVZ heeft zich uiteraard de vraag gesteld of het zin heeft om op dit soort hoogst politieke momenten achteraf en ongevraagd te adviseren en heeft die vraag positief beantwoord. Noblesse oblige!  Of, in de woorden van Herman Tjeen Willink uit 2007: “De functie van adviesorganen gaat (idealiter) nog wat verder dan het adviseren van regering en parlement. Goede adviescolleges overstijgen met hun advisering de politiek-bestuurlijke Haagse logica en kunnen de aandacht in het publieke debat richten op zaken die ten onrechte buiten beschouwing zijn gebleven, ook als dat het kabinet, de departementen en de Kamers even minder goed uitkomt.”

Terug naar overzicht

Nieuwsbrief Adviesraden