Nieuwsbrief Adviesraden

Ξ Gastcolumn

Drs. Han Polman, voorzitter Raad voor het Openbaar Bestuur

Gezag verdienen, elke dag opnieuw

Begin deze maand mocht ik een lezing houden over het belang en de positie van instituties in onze democratische rechtsstaat. Instituties als de rechtspraak, de hoge colleges van staat en media spelen een cruciale rol. Ze geven uiting aan het belangrijke gegeven dat geen persoon of instelling in onze democratische rechtsstaat almachtig is. De spreiding van macht is essentieel voor een rechtsstaat, maar niet vanzelfsprekend. In landen dichtbij ons (Hongarije, Polen) gebruiken democratisch gekozen politieke bestuurders hun verworven mandaat om de bewegingsruimte van vitale instituties te beperken.

In eigen land zien we dat het gezag van instituties om een andere reden niet meer vanzelfsprekend is. Waren de aanwezigheid van sterke instituties voorheen een noodzakelijke voorwaarde voor een publieke ruimte waarin vrijelijk kon worden gedebatteerd, nu zijn die instituties zelf onderwerp van debat geworden. Rechterlijke uitspraken worden betwist, parlementariërs bekritiseren hun eigen instituut, de uitkomsten van wetenschappelijk onderzoek zijn ook maar een mening en met de komst van nepnieuws en internetbubbels weten we nooit meer helemaal zeker wat we moeten geloven van berichten die in de krant of op internet verschijnen. 

Dat is de spagaat waarin de instituties van de rechtsstaat zijn beland: ze vervullen een cruciale rol om het evenwicht tussen democratie en rechtsstaat te bewaren maar om die rol te kunnen vervullen moeten ze kunnen leunen op een breed vertrouwen en dat vertrouwen staat onder druk. In de lezing stelde ik de vraag: wat maakt dat de natuurlijke autoriteit van veel van deze instituties niet meer vanzelfsprekend is? En vooral: wat is nodig om gezag te herwinnen zodat zij hun cruciale rol in de rechtsstaat kunnen blijven vervullen? 

Voorheen hadden instituten gezag omdat ze waren wie ze waren. De rechter, het raadslid, de burgemeester, het Kamerlid of de minister konden als vanzelf op respect rekenen vanwege het ambt dat ze vervulden en het instituut dat ze vertegenwoordigden. Vandaag de dag moet gezag worden verworven, elke dag opnieuw. Dat gezag is afhankelijk van de steun van mensen voor wat je doet en hoe je dat doet. Dus waar het ooit voldoende was om te voldoen aan de traditionele en formele vereisten als rechtmatigheid, rechtvaardigheid en integriteit, die bovendien het bestaansrecht van instituten vormden, zijn daar nieuwe en niet formeel vastgelegde eisen bijgekomen, zoals transparantie, responsiviteit en heldere communicatie. 

Die transparantie, responsiviteit en heldere communicatie moeten instituten betrachten over wat zij doen, hoe zij het doen, houding en gedrag, en misschien wel het belangrijkste: waarom zij het doen. Instituten moeten helder zijn over de waarden van waaruit en waarvoor zij werken. 

Toen ik mij op deze lezing voorbereidde, realiseerde ik mij dat wat ik opschreef en zou gaan uitspreken over instituten, net zo goed geldt voor adviesraden. Wij vormen ook een speler binnen de democratische rechtsstaat die met nieuwe ideeën en visies kunnen tegendenken. En ook voor ons geldt dat wij niet meer kunnen rekenen op een vanzelfsprekende autoriteit omdat we toevallig zijn wat we zijn. 

Mijn pleidooi over transparantie, responsiviteit, samenwerking en partnerschap moeten wij dus ook onszelf voorhouden. Ik ben daar niet rouwig om. Het houdt ons scherp. Als wij ons telkens weer afvragen waarom we doen wat we doen, dan zullen we er ook in slagen om publieke toegevoegde waarde te leveren. En daar is het ons uiteindelijk toch om te doen. 

Terug naar overzicht

Nieuwsbrief Adviesraden